De Maine Coon.

* Het karakter.
Onder het misschien wat wilde uiterlijk van de Maine Coon verbergt zich een kat met een zeer tolerant karakter. Hij is niet opdringerig, maar wel speels en intelligent. Van nature rustig van aard. Hij zal niet gauw zijn nagels gebruiken en vechtpartijen bij voorkeur uit de weg gaan. Het karakter van de Maine Coon is bijzonder prettig in de omgang. Hij heeft een evenwichtig en prettig humeur. Is intelligent, vriendelijk en verdraagzaam, zowel naar de mens als naar andere huisdieren toe. Hij kan verlegen overkomen, maar is tot op hoge leeftijd speels. Hij past zich makkelijk aan en is zeer sociaal. U zult verbaast zijn over het zachte stemgeluid als u voor het eerst een Maine Coon hoort miauwen.
De poezen zijn goede moeders, met een lief karakter en zijn
alerter dan de katers. De katers zijn ondernemend, aanhankelijk en laten zich
graag knuffelen.
* Het uiterlijk.
De Maine Coon is in de loop der tijd uitgegroeid tot een
robuuste, gemiddeld tot groot van afmeting zijnde, gespierde kat.
De vacht is halflang, kort in de nek en langer naar de borst toe, wat een kraag vormt. Er bevinden zich langere haren aan de achterpoten, de broek en de staart. De staart vormt dan ook een schitterende pluim. Onder hun grote voeten groeien stevige haarbosjes die wel tot twee centimeter lang kunnen worden. De Maine Coon kan prima zijn eigen vacht onderhouden, om de paar dagen een borstelbeurt is voldoende. In de ruitijd is een dagelijkse borstelbeurt wel gewenst om klitten te voorkomen.
* Algemene rasstandaard.
Type: Groot en stevig gebouwd met een vierkante kop, grote oren, een brede borst en stevige botten. Een lang goed gespierd, rechthoekig lichaam en een lange, soepel vallende staart.
Kop: Gemiddeld van lengte met hoge, uitstekende jukbeenderen. Gezicht en neus van gemiddelde lengte met een vierkante snuit. Een duidelijke stop kan gevoeld worden tussen de snuit en de jukbeenderen. Het voorhoofd is zacht glooiend. Het profiel heeft een lichte, holle welving. Stevige kin, in een verticale lijn met de neus en de bovenlip.
Oren: Groot, breed aan de basis. De basis van de buitenste oorrand is iets naar achteren geplaatst ten opzichte van de binnenste oorrand. In een bescheiden punt uitlopend. Hoog op de kop geplaatst, iets naar buiten neigend, een oorbreedte uit elkaar geplaatst. De afstand tussen de oren wordt bij oudere katten iets groter. Lynxpluimpjes zijn gewenst. Pluimen uit de oren reiken horizontaal tot buiten de oorschelp.
Ogen: Groot en wijd uit elkaar geplaatst. Iets ovaal, maar niet amandelvormig, lijken rond als ze wijd geopend zijn. Licht schuin geplaatst ten opzichte van de buitenste oorrand. Iedere kleur is toegestaan. Heldere oogkleur is gewenst. Er is geen verband tussen oog- en vachtkleur.
Lichaam: Stevig gespierd, krachtig met een brede borst, groot van afmeting, met stevige botten. Katers hebben een forse nek. Het lichaam moet lang zijn, met alle delen van het lichaam zodanig in verhouding dat de indruk van een rechthoek ontstaat. De poten zijn stevig, gemiddeld van lengte en vormen een rechthoek met het lichaam. De voeten zijn groot, rond en voorzien van pluizen tussen de tenen.
Staart: Minstens zo lang als het lichaam, gemeten vanaf de aanzet van de staart tot aan de schouderbladen. Breed aan de aanzet, uitlopend in een punt, met vol en soepel vallend haar.
Vacht: Een vacht voor alle jaargetijden. Dicht, kort op de kop, schouders en poten en geleidelijk langer langs de rug en de flnaken, met een enigzins ruig- en volbehaarde broek op de achterpoten en lang buikhaar. Een kraag wordt verwacht. De textuur is zijdeachtig. De vacht voelt stevig aan en valt soepel. De ondervacht is zacht en fijn, bedekt met de stuggere, gladde bovenvacht. De lengte van de vacht en de dichtheid van de ondervacht kan variëren met de seizoenen.
Kleur: Alle kleuren zijn toegestaan, behalve de (siamese) pointtekening, de kleuren chocolate, cinnamon, lilac en fawn en de burmese factoren. Iedere hoeveelheid wit is toegestaan.
Fouten: Uitstekende snorhaarkussentjes. Zwakke kin. Een stop op de neus. Totaal ontbreken van ondervacht. Ronde of spitse snuit. Te wijd uit elkaar staande oren. Lange, dunne poten. Schuine, amandelvormige ogen. Het ontbreken van buikhaar. Korte staart. Ronde kop. Fijne, lichte botstructuur. Onevenwichtige verhoudingen. Een in zijn geheel te kleine kat. Recht of bol profiel. Kort gedrongen lichaam. Een vacht die overal even lang is. Scheelzien. Een knik in de staart. Een onjuist aantal tenen.
* Geschiedenis.
De Maine Coon is een natuurlijk kattenras uit Noord-Amerika. Men vermoed dat hij oorspronkelijk afkomstig is uit Maine, een van de staten die samen New England vormen. Dit verklaart het eerste deel van de naam. Het tweede deel verwijst naar het populaire verhaal dat hij een product zou zijn uit de kruising van halfwilde huiskatten en wasbeertjes (raccoons). Hoewel een tabby Maine Coon met zijn gestreepte volle staart wel iets weg heeft van een wasbeer, is gebleken dat dit biologisch niet mogelijk is.
Algemeen wordt aangenomen dat de Maine Coon zijn ontstaan heeft te danken aan door zeelieden meegenomen halflanghaarkatten die zich vermengd hebben met de aldaar wonende katten. Hierna deed natuurlijke selectie de rest, waarbij de kat zich aanpaste aan het ruwe klimaat van Maine.
